010 - 263 06 70


  

Knelpunten 30-jaarstermijn voor hypotheekrenteaftrek vraagt om snelle keuzes

Op 1 januari 2031 verliest een grote groep huiseigenaren het recht op hypotheekrenteaftrek. De benodigde gegevens om deze termijn te toetsen zijn echter onvoldoende beschikbaar bij burgers en de Belastingdienst. De regeling vraagt dus te veel van burgers en is voor de Belastingdienst niet goed handhaafbaar. Een ambtelijk rapport concludeert dat snelle beleidskeuzes nodig zijn.


De in 2001 ingevoerde termijn voor hypotheekrenteaftrek beperkt de aftrek van hypotheekrente tot maximaal 30 jaar. De bedoeling van de 30-jaarstermijn is om onbeperkte hypotheekrenteaftrek in box 1 te voorkomen, aflossing te stimuleren en om de belastingderving te beperken.

Per 2031 verliest een grote groep huiseigenaren het recht op hypotheekrenteaftrek. De benodigde gegevens om deze termijn te toetsen zijn onvoldoende beschikbaar bij burgers en de Belastingdienst. Factoren zoals verhuizingen, scheidingen en oversluiten vergroten die complexiteit en zorgen voor onzekerheid en fouten. Oplossingsrichtingen variëren van volledige afschaffing van de hypotheekrenteaftrek voor oude hypotheken per 2031 tot verlenging of geleidelijke afbouw. De opties balanceren tussen eenvoud, uitvoerbaarheid en budgettaire effecten, tegen de achtergrond van een groot handhavingsprobleem. Het gaat namelijk om circa 2,7 miljoen hypotheken en de controle zal in de praktijk beperkt en steekproefsgewijs zijn omdat de Belastingdienst over onvoldoende gegevens beschikt.


Om welke hypotheken gaat het?
Op 1 januari 2031 loopt de 30-jaarstermijn af voor de eerste, grote groep belastingplichtigen die een hypotheek hebben van voor 2001. De problematiek van de 30-jaarstermijn spitst zich met name toe op eigenwoningleningen (hierna ook: hypotheken) afgesloten vóór 2013.

Deze hypotheken vallen onder het overgangsrecht, de zogenaamde ‘bestaande eigenwoningschulden’ (BEWS). Dit zijn met name aflossingsvrije hypotheken. Voor belastingplichtigen met een BEWS is vaak niet duidelijk of zij al 30 jaar gebruikgemaakt hebben van hypotheekrenteaftrek (hierna ook: HRA).

Ook spaar-, beleggings-, of levenshypotheken (hierna ook: SEW/BEW/KEW) vallen onder het overgangsrecht. Voor deze hypotheken is aflossing van (een deel van) de hypotheek binnen 30 jaar gewaarborgd.
Voor leningen die vanaf 2013 zijn afgesloten is de 30-jaarstermijn een minder groot probleem. Sinds 2013 bestaat alleen recht op HRA voor leningen die in maximaal 360 maanden worden afgelost. Wel geldt dat – indien van toepassing - rekening moet worden gehouden met de verstreken looptijd van een BEWS.

Voor belastingplichtigen die ook een lening hadden afgesloten vóór 2013, tellen dus de reeds verstreken jaren van die oorspronkelijke 30-jaarstermijn mee voor de maximale periode waarop recht op HRA bestaat voor de ‘nieuwe’ lening. In zo’n situatie stopt het recht op HRA dus voordat de periode van 360 maanden is verstreken en dus voordat de lening volledig is afgelost.


Knelpunten rondom de 30-jaarstermijn
De Belastingdienst beschikt niet over voldoende historische gegevens om het recht op HRA goed te controleren en belastingplichtigen te informeren. Voor het controleren van de 30-jaarstermijn is uitgebreide historische informatie vereist die meestal ontbreekt. Door wettelijke bewaartermijnen is bepaalde data niet meer voorhanden, vooral van leningen van vóór 2013.

Ook informatie van derden, bijvoorbeeld het Kadaster, is onvoldoende om de 30-jaarstermijn goed te kunnen handhaven. Complexe situaties, zoals wisselende eigendomsverhoudingen, partnerschappen en life events, vergroten het probleem. Dit leidt tot onzekerheid over de status van het recht op HRA en fouten in aanslagen, waardoor mogelijk ten onrechte HRA geclaimd wordt.


De 30-jaarstermijn kan voor belastingplichtigen zeer complex zijn, met name door life events. Bij life events kan gedacht worden aan samenwonen, echtscheiding, verhuizen of verbouwen. Er is vaak onvoldoende inzicht in hoeveel jaren van de 30-jaarstermijn zijn verstreken. Dit geldt nog sterker voor leningdelen met verschillende startdata. Belastingplichtigen moeten vanaf 2031 aannemelijk maken dat zij nog binnen de 30-jaarstermijn vallen. In veel gevallen kunnen zij dit echter niet.

Als de Belastingdienst gegevens opvraagt zal veelal de belastingplichtige, hypotheekadviseur of bank niet meer beschikken over alle historische informatie die nodig is om te bepalen of er nog recht bestaat op HRA. De regeling is daarmee voor burgers zodanig ondoenlijk en complex, dat deze in de praktijk nagenoeg niet handhaafbaar is. Omdat de bewijslast bij belastingplichtigen ligt kan in die gevallen het recht op HRA (deels) vervallen voordat de 30-jaarstermijn verstreken is.

Ook is het mogelijk dat belastingplichtigen ten onrechte wel HRA claimen en toegekend krijgen, terwijl de 30-jaarstermijn (deels) is verstreken. Ten slotte zal de ene belastingplichtige zekerheidshalve geen HRA claimen, terwijl de ander dat juist wel zal doen. Dit raakt aan de belastingmoraal.


Oplossingsrichtingen
Een uiterste maatregel om de uitvoeringsproblematiek voor alle typen schulden weg te nemen is het volledig afschaffen van de HRA, maar deze optie valt buiten de reikwijdte van het onderzoek.
De volgende oplossingsrichtingen zijn uitgewerkt:


1. Per 2031 afschaffen HRA voor hypotheken afgesloten vóór 2013 (Fiche 1A):
De HRA voor álle BEWS stopt per 1 januari 2031. Deze leningen worden verplichte box 3-schulden en deze schulden komen nooit meer voor HRA in aanmerking.


2. Per 2031 afschaffen HRA voor hypotheken afgesloten vóór 2013 met overgangsregeling (Fiches 1B en 1C):


Als overgangsregeling geldt dat als vóór 1 januari 2031 de aflossingsvrije hypotheek is omgezet naar een lening met een ten minste annuïtair aflosschema, het recht op HRA wordt behouden tot uiterlijk 2042 (1B) of tot het einde van de looptijd van 30 jaar (1C). De hypotheekvormen KEW/SEW/BEW behouden recht op HRA na 2031.


3. HRA voor alle hypotheken afgesloten vóór 2013 tot 2043 (Fiche 2A):
Verruiming van de HRA zodat in alle gevallen ten minste 30 jaar recht op HRA bestaat. Vanaf 2043 worden deze leningen verplichte box 3-schulden en deze schulden komen nooit meer voor HRA in aanmerking.


4. Voor alle hypotheekvormen (opnieuw) 30 jaar HRA na elke verhuizing (Fiches 1D en 2B):
Uitbreiding op fiches 1C en 2A. Per 2031 (1D) of per 2043 (2B) geldt dat alle leningen die voldoen aan de aflossingseis in aanmerking komen voor HRA. Indien dit niet het geval is, valt de lening in box 3. Deze regeling geldt voor BEWS die zijn omgezet, maar ook voor nieuwe leningen. Bij verhuizen krijgen belastingplichtigen de mogelijkheid om opnieuw een lening met een looptijd van 360 maanden af te sluiten en de rente daarover gedurende de gehele looptijd af te trekken. Bij deze opties is het niet meer van belang wanneer een lening is aangegaan en is alleen de lopende lening overeenkomst van belang.


5. Per 2031 geleidelijke afbouw HRA voor hypotheken afgesloten vóór 2013 (Fiche 3):
Vanaf 2031 wordt het bedrag aan betaalde rente over een BEWS dat in aanmerking komt voor HRA jaarlijks met 5%-punt verlaagd tot het bedrag dat in aanmerking komt voor HRA 40% van het totale rentebedrag bedraagt in 2042. Na 2042 worden deze leningen aangemerkt als een verplichte box 3-schuld.


Aftrek in box 3
In de huidige situatie blijft bij beperkingen van HRA in box 1 aftrek in box 3 mogelijk. Als de wens is om – in lijn met de oorspronkelijke doelstelling van de 30-jaarstermijn - de aftrekbaarheid van rente te beperken tot 30 jaar en de budgettaire derving te beperken zijn aanvullende maatregelen nodig.

 

In de praktijk betekent de mogelijkheid om rente af te trekken in box 3 dat enkel huishoudens met voldoende vermogen (in box 3) na 30 jaar nog voor onbepaalde tijd renteaftrek kunnen blijven genieten. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen of een eventuele beperking van renteaftrek in box 3 juridisch houdbaar is.

 

Conclusie
Het is voor belastingplichtigen in veel gevallen onmogelijk om de 30-jaarstermijn te doorgronden en alle benodigde informatie hiervoor paraat te hebben. Dit maakt de regeling complex en ondoenlijk voor burgers. De Belastingdienst kan belastingplichtigen door het gebrek aan contra-informatie ook geen uitsluitsel geven over de resterende periode van de 30-jaarstermijn. Dat zorgt nu al voor problemen, waar financieel dienstverleners, en daarmee ook burgers, als eerste tegenaan lopen. Besluitvorming over hoe om te gaan met de 30-jaarsproblematiek is daarom noodzakelijk.

 


vorige pagina