010 - 263 06 70


  

Goodwill dierenartsenpraktijk vier miljoen?

Een dierenarts heeft met zijn ouders een maatschap die de dierenartsenpraktijk uitoefent. De maatschap krijgt een indicatief overnamebod van € 3.300.000. De maten richten BV’s op en brengen de maatschapsaandelen in, met fiscale afrekening. Daarbij hanteren ze een waarde van slechts € 545.000, waarvan € 400.000 voor goodwill. Acht maanden later wordt de praktijk verkocht voor € 4.686.000. De Belastingdienst legt navorderingsaanslagen op gebaseerd op een goodwill van € 4.686.000. De rechter komt eraan te pas.


Op de zitting heeft de Belastingdienst ermee ingestemd dat de waarde van de andere componenten dan goodwill, in overeenstemming met de aangifte, moet worden gesteld op € 145.000.


Rechter over de vereiste aangifte – omkering en verzwaring van de bewijslast
De maatschapsleden hebben in de ingediende aangiften een ondernemingswaarde ten grondslag gelegd van € 545.000. De goodwillcomponent hierin, € 400.000, is berekend conform de methode van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.


Volgens de maten kon bij de bepaling van de waarde van de onderneming voorbij worden gegaan aan de gedane biedingen, omdat ze toen niet van plan waren de praktijk te verkopen.
De Belastingdienst vindt die argumentatie onjuist en onverdedigbaar. Het grote verschil tussen de indicatieve bieding en de door de maten verantwoorde waarde betekent dat niet de vereiste aangifte is gedaan en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.


Bij een ‘ruisende’ inbreng van een onderneming in een besloten vennootschap tegen uitreiking van aandelen, zoals hier, moet voor de bepaling van de stakingswinst de waarde van de onderneming worden vastgesteld. Daarbij gaat het om de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop onder de meest gunstige omstandigheden en na de beste voorbereiding door de hoogst biedende zou worden betaald.


Uit het indicatieve bod moet worden afgeleid dat de hoogstbiedende gegadigde bij verkoop onder de meest gunstige omstandigheden een prijs zou hebben betaald in de ordegrootte van dat bod. Aangezien niet in geschil is dat de bieder een potentiële koper en onafhankelijke derde was, zal de waarde in het economisch verkeer daarmee niet, in ieder geval niet veel, lager zijn geweest dan het bod van € 3.300.000.


Met de Belastingdienst acht de rechter de door de maten aan de inbreng ten grondslag gelegde ondernemingswaarde van € 545.000 niet verdedigbaar. Door een bedrag aan veronderstelde jaarwinst te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor – de zogenoemde multiple methode –, wordt ten onrechte geen rekening gehouden met de groeipotentie die de bieder blijkens haar indicatieve bod aanwezig achtte.


Als argument om dat bod bij de bepaling van de ondernemingswaarde buiten beschouwing te laten, kan niet dienen dat de maten ten tijde van de inbreng niet voornemens waren de onderneming aan een derde te vervreemden. De stakingswinst bij inbreng in een besloten vennootschap moet immers worden bepaald aan de hand van de objectieve ondernemingswaarde, zodat de bedoeling van de inbrengers om de onderneming vooralsnog niet aan een derde uit handen te geven niet van betekenis is.


Evenmin kan als argument dienen dat, zoals door de maten is betoogd, de prijs die private-equity-partijen bereid zijn te betalen niet overeenkomt met de in de branche als ‘normaal’ ervaren waarde. Ook dat argument miskent dat het nu juist gaat om de prijs die de hoogstbiedende gegadigde voor de onderneming zou betalen, die in voorkomend geval een private-equity-partij zal zijn.


Daarom vindt de rechter het aannemelijk dat de op grond van de aangiften verschuldigde belasting zowel in absoluut als relatief opzicht aanzienlijk te laag is ten opzichte van de werkelijk verschuldigde belasting. Volgens de rechter hadden de maten zich daarvan redelijkerwijs bewust moeten zijn, ze hadden behoren te weten dat door bij het bepalen van de inbrengwaarde voorbij te gaan aan objectieve marktgegevens een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.


Dit betekent dat de maten niet de vereiste aangifte hebben gedaan, zodat het aan de maten is om te bewijzen in hoeverre het standpunt van de Belastingdienst niet juist is.


Rechter over de redelijke schatting door de Belastingdienst
De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. De Belastingdienst heeft de stakingswinst bepaald door de waarde van de onderneming te stellen op de voor de aandelen overeengekomen prijs.


Volgens de maten is de Belastingdienst er daarbij ten onrechte aan voorbijgegaan dat kort na de inbreng bekend werd dat een nabijgelegen dierenartspraktijk een half jaar later zou stoppen, dat dit niet was voorzien en dat het wegvallen van die praktijk een significante invloed heeft gehad op de omzetprognoses.


De rechter gaat hierin deels mee. Het indicatieve bod van vier maanden voor de inbrengdatum bedroeg € 3.300.000. Daarop volgde, vijf maanden na de inbreng, een bod van € 5.300.000, dat na een due diligence weer twee maanden later is uitgemond in de definitieve koopprijs van € 4.686.000.

Uit de stukken leidt de rechter af dat de waarde die de bieder de onderneming toekende vooral is bepaald door verwachtingen omtrent toekomstige omzetten. Daarmee is aannemelijk dat de hogere bieding na de inbrengdatum in ieder geval deels is terug te voeren op een stijging van de omzetverwachting door het wegvallen van een concurrent in de nabijheid van de dierenkliniek. De rechter acht niet redelijk die gebeurtenis bij de schatting van de waarde van de onderneming per de inbrengdatum buiten aanmerking te laten.


De rechter vindt het redelijk om de helft van het verschil tussen het eerste indicatieve bod en de uiteindelijke koopprijs aan te merken als waardevermeerdering van de onderneming ten gevolge van het wegvallen van de concurrent. Aldus komt de rechtbank tot een schatting van de ondernemingswaarde per de inbrengdatum van – afgerond – € 4.000.000. Nog altijd tien maal zo hoog als de aangegeven goodwill.


De aanslagen berusten dus op een te hoge schatting door de Belastingdienst van de inbrengwaarde. De rechter vermindert de aanslagen tot het juiste bedrag.


Let op: Of de maatschapsleden door de ruisende inbreng in de BV-structuur, gezien de nog steeds zeer forse fiscale afrekening over de stakingswinst, achteraf per saldo fiscaal beter uit zijn, is de vraag. Dat tijdig en goed advies bij zo’n traject onontbeerlijk is, mag duidelijk zijn. We adviseren u graag.

 


vorige pagina